Dit boekje is een appendix van „Het Biljartspel”, dat in Mei 1928 van mijn hand is verschenen bij de uitgevers G. B. van Goor Zonen.
Sedert is de Driebandenpartij allengs tot een der meest gespeelde partijen van dat spel gaan behooren en daar in Nederland daarvoor geen enkele handleiding bestaat, die den beginner den goeden weg aangeeft en het aantal deskundige leeraren uiterst gering is, kwam het mij wenschelijk en nuttig voor te wijzen op de elementaire eischen, waaraan moet worden voldaan om een meer dan middelmatig speler te worden.
De gegevens zijn ontleend aan het veelgeroemd boek van wijlen prof. Adorjan, getiteld „Todos los secretos del Billar”, waarin hij „Los golpes de tres bandas antes” beschrijft, en voorts aan mijne verspreide beschouwingen over dit onderwerp in het maandblad Club Kroniek. Lees verder: H.C.L. Wenning – het driebandenspel (1936)
Er zijn vele manieren om de biljartkeu vast te houden. De uitgangspositie is de vlakke hand die op het biljart ligt. Een andere uitgangspositie is uw wijsvinger de biljartkeu te laten omvatten terwijl de de top van de keu rust op de duim (Centrale brug). Voor weer een andere uitgangspositie schuift u uw middelvinger onder de biljartkeu door.
De brug waarbij de speelbal op de horizontale hartlijn wordt geraaktLage afstoot met platte keu
Het driebandenspel kan, evenals bij het librespel, zowel op de grote als op de kleine tafel worden gespeeld.
Evenals bij het bandstoten ontbreken bij het driebanden de lijnen op het speelvlak.
Bij het driebanden is een carambole pas geldig nadat de speelbal ten minste drie banden heeft geraakt vóórdat die bal de derde bal raakt. Het mag uiteraard ook driemaal dezelfde band zijn. Het raken van de banden mag dus geschieden op elk moment vóór of na het raken van de tweede bal, mits dat raken maar gebeurt vóór het raken van de derde bal.
Ook hier geldt dus dat het gelijktijdig raken van de band en bal drie in strijd is met de reglementen en dus geen geldige carambole oplevert.
Voordat een partij kan beginnen moet er nogal wat gebeuren.
Van elke arbiter wordt verwacht dat hij:
op tijd aanwezig is;
zorgt dat de vastgestelde aanvangstijden worden aangehouden;
zo nodig zelf de ballen gaat halen bij de wedstrijdleiding en controleert of dezegoed zijn verzorgd;
controleert of het biljart goed schoon is en dit zo nodig laat reinigen;
controleert of de acquits goed zijn aangebracht;
controleert of de eventueel noodzakelijke lijnen zo dun mogelijk, doch goed zichtbaar, op de juiste plaats zijn aangebracht, of zo nodig laat aanbrengen;
zich voorstelt aan de beide spelers vóór dat de partij begint. Dit in tegenstelling tot de gewoonte van velen om dit pas te doen vlak voordat de spelers met de keuzetrekstoot willen beginnen. Dat is te laat. Als men elkaar niet kent dan dient de arbiter ruim voordat de partij begint, bijvoorbeeld tijdens het in elkaar schroeven van de keu, de speler een hand te geven en zich voor te stellen. Als dit later gebeurt, dan wordt daardoor de concentratie van de speler onderbroken. Het is juist uw taak om er voor te zorgen dat niets de concentratie van een van beide spelers verstoort.
vóór de partij kennis maakt met de schrijver en de bordenist en hen het gevoel geeft dat zij erbij horen;
de schrijver instrueert, dat hij op het juiste moment moet melden: “en nog vijf” (voor het driebanden “en nog drie”) en hem er duidelijk op wijst dat de getallen vijf of drie duidelijk verstaanbaar moeten zijn. Het uitspreken van uitsluitend “en nog…” is beslist fout;
er op toeziet dat de bordenist op het reglementair juiste moment de beurten van de spelers op het scorebord aangeeft;
in het bezit is van een loep, een wit potlood met een scherpe punt en een schone witte zakdoek.
De tekening geeft de indeling, de acquits, de benaming van de acquits en de banden aan. De gestippelde lijnen zijn denkbeeldige lijnen.
Hier is de carambole geldig wanneer de speelbal tenminste drie banden raakt alvorens de laatste bal geraakt wordt.
Voor het bepalen van de looplijnen bestaan er verschillende berekeningssystemen die gebruik maken van de merktekens (diamanten) die op de omlijsting aangebracht zijn.
Het bekendste systeem is waarschijnlijk het zogenaamde diamondsysteem.
Dit systeem bestaat er in grote lijnen in, dat aan de diamonds een bepaalde waarde wordt toegekend. Met een rekensysteem kan dan, uitgaand van de waarde van de positie van de speelbal en de waarde van de positie van het vereiste eindpunt, de vertrekstootrichting bepaald worden om de carambole te kunnen maken.
Een van de moeilijkheden bij driebanden is het vermijden van de klots, dit is het tegen elkaar botsen van de ballen wanneer hun loopbanen elkaar kruisen.
Heeft u wel eens van Jerry Hermans gehoord? De Brabantse arbiter Erik van Woerkom gaf onlangs een tip: ,,Kijk maar uit, dat wordt een prachtige biljarter. Hij is gestopt met voetballen en speelt nu al vaak partijen rond de 1 gemiddeld driebanden.”
Jerry Hermans (van De Eekhoorn in Oosterhout): een naam om te onthouden dus.
De 23-jarige Brabander heeft zijn voetbalcarriere ingeruild voor ambities op het biljart en heeft inderdaad in zeer korte tijd veel progressie gemaakt. Lees verder: Jerry Hermans doet routine op